CULTUREEL OOSTERNIELAND
 

EEN REIS DOOR DE WERELD VAN KLASSIEKE MUZIEK

ERNST DANIËL SMID IN OOSTERNIELAND     6 oktober 2015

door Marja Spakman

OOSTERNIELAND – Bariton Ernst Daniël Smid (1953) nam zijn publiek in de Sint Nicolaaskerk in Oosternieland dinsdagavond mee op een muzikale reis langs grote componisten in de wereld van de opera. Hij zong, liet fragmenten horen en legde uit en boeide zo een uitverkochte kerk anderhalf uur lang.

Smid, die in 1953 in Enschede werd geboren, volgde zijn muzikale opleiding aan het voormalig Amsterdams Conservatorium. Hij reisde als solist verbonden aan diverse operahuizen heel Europa door. Zijn repertoire is groot en bevat werken van alle grote componisten zoals Verdi, Puccini, Wagner, Mozart enTsjaikovski. Veel mensen kennen hem van zijn tv-programma’s Una Voce Particolare, Wonderlijke Wegen en God in de Lage Landen. Ook op radio 4 is hij wekelijks te horen. Daarmee maakt hij operette, opera en andere klassieke muziek toegankelijk voor een breed publiek. Dat was ook de insteek in Oosternieland. Dat, en het delen van zijn passie voor klassieke muziek.

Een laatste toitoitoi
Vlak voor aanvang duikt Smid voor een laatste ‘toitoitoi’ nog even op op de orgeltribune bij geluids- en lichttechnicus en medeorganisator Erik Visser, die de langzamerhand zeer professionele techniek in de kerk van Oosternieland bedient. „Zet ‘m op!” is de boodschap. Het tekent dadelijk de sfeer. Dezelfde gemoedelijke benadering valt even later ook het publiek ten deel. Op haast joviale wijze gaat Smid door het programma, dat begint met een musicallied want, zegt Smid, „musical is de opera van nu.” Hij zingt uit Man of La Mancha het nummer The Impossible Dream van Mitch Leigh. Vervolgens schetst hij hoe hij als jonge knaap in de zestiger jaren met opera in aanraking kwam. Hij komt uit een gezin met negen kinderen. Iedere zondagmiddag lag er een stapeltje langspeelplaten op de draaitafel met platenwisselaar. Vader rookte een bolknak, moeder een Caballero zonder filter. De hele familie luisterde naar klassieke muziek. Iedereen in dat turbulente gezin was dan stil. „Ik dacht”, zegt Smid, „hier gebeurt iets heel bijzonders, dit is bijna iets religieus. Daarna luisterden we naar radio Brussel.” Als Smid de openingstune van het programma zingt (de Aria van de smeden uit Il Trovatore van Verdi) zingt de zaal spontaan mee.

Fragmenten
Aan de hand van een aantal fragmenten gaat Smid met grote stappen door een stuk muziekgeschiedenis. „Drie eeuwen later dan dat de kerk in Oosternieland werd gebouwd, kwam een aantal rijke jongens bij elkaar in Florence”, vertelt hij. „Ze hadden het wel gehad met de late Renaissancemuziek. Stijf en heilig. Er moest meer drama inkomen. Verderop in de tijd komen we dan Monteverdi tegen. Diens beroemdste werk, de opera L’Orfeo, wordt wel gezien als het allereerste operawerk aller tijden.” Van Monteverdi springt Smid naar de barokmuziek van Scarlatti. Een smeuïg verhaal over Vivaldi volgt, dat op enig moment niet meer verteld wordt maar in rap tempo van papier wordt voorgelezen. Enigszins een dissonant in het verder zo levendige verhaal. „Dan komen we bij één van de aller-allergrootste componisten (we slaan Bach over): Mozart. Over zijn laatste werk, het Requiem, gaan duistere verhalen.” Duister of niet, in de kerk van Oosternieland klinkt het prachtig. Smid vervolgt: „De ‘hoofse’ muziek, de muziek die aan de talrijke vorstenhoven werd gespeeld, begon langzamerhand op de zenuwen van mensen te werken. Er kwam een ander publiek, mensen zoals u en ik en er moest muziek komen die mensen konden begrijpen, Niet stilzitten in een concertzaal als een stelletje vrome gekken… Helemaal niet. Lekker inleven. Daar is die opera voor bedoeld. Frans Bauer in de opera, zoiets.”

Verdi en Wagner
„In 1813 werden Richard Wagner en Giuseppe Verdi geboren”, gaat Smid verder. „Verdi heeft eigenlijk de hele negentiende eeuw overkoepeld en Wagner is daar een beetje onderdoor gekropen en bedacht het totaaltheater. Verdi is één van de meest aansprekende componisten van de negentiende eeuw geweest.” Verdi´s muziek spreekt nog steeds aan. Als Smid het Slavenkoor uit Nabucco laat horen, wordt in bijna alle banken meegedeind. „Verdi schreef in een tijd dat Italië vocht voor zijn vrijheid. Zijn muziek kreeg daardoor een politieke lading. Hij is voor mij één van de allergrootsten. Hij heeft in zijn eentje de hele negentiende eeuw bepaald. Maar Verdi gebruikte grote, literaire thema’s in zijn opera’s, waarmee nog steeds niet het grote publiek werd bediend. Dat gebeurde wel door Puccini. Die kwam met verhalen uit het alledaagse leven.” Dan klinkt het laatste muziekstuk dat Smid laat horen: Hostias uit het Requiem van Verdi.

Aan het eind krijgt Smid de vraag waarom hij eerder die avond zelf zong met microfoon. De ondertoon is duidelijk: ‘Waarom in hemelsnaam?’ Het blijkt te maken te hebben met de mix van geluidsband en stem, maar Smid maakt het goed. Zijn laatste fragment zingt hij zonder. De vragensteller heeft het geweten. Uit de musical The King and I van Rodgers en Hammerstein lijkt Smid juist haar toe te zingen: „I have dreamed, that your arms are lovely / I have dreamed, what a joy you’ll be…”